Gedwongen keuzes.


Dit is mijn tweede lange verhaal. na de geweldige ervaring van het schrijven van Parijs, Nice, wraak kon ik niet wachten om met mijn volgende idee te beginnen. Het schrijftempo lag een behoorlijk stuk lager dan tijdens het eerste verhaal, wat de schrijfkwaliteit hopelijk ten goede komt. Op dit moment ben ik bezig met het afronden van het schrijfwerk zodat ik kan beginnen met het lezen en herschrijven. Zodra ik een exemplaar heb waar ik tevreden over ben, zal ik beginnen met het stalken van wat uitgevers.

Het verhaal gaat over Jack Middleton die samen met zijn vrouw en twee kinderen een bestaan probeert op te bouwen nadat hij vrij gekomen is. Zijn verleden laat hem echter niet los en voordat hij het goed en wel door heeft zit hij weer tot zijn nek in de criminele activiteiten. Als hij aangeeft te willen stoppen, tekent hij zijn doodvonnis, maar met een slimme list komt hij met zijn familie en een miljoen aan gestolen geld weg. Een nieuw bestaan opbouwen in een afgelegen gebied in Camada lijkt een goed idee, tot hij daar een duister geheim blootlegt. Ondertussen weten zijn oude collega's, maar ook de politie waar hij uithangt. Heeft Jack een toekomst?

~


Jack zat op de rand van zijn bed en trok zijn laarzen aan. Zwart leer, zwarte jeans, zwart shirt. Op het nachtkastje stond een lege fles bourbon en daarnaast een glas met nog een laatste slok. Jack sloeg het goedje achterover en liep naar de badkamer. Susan en de kinderen waren op zijn aanraden bij de Doyles gebleven. Hij wist toen nog niet wat McCarthy van plan was en na vandaag al helemaal niet meer. Vandaag, de laatste dag van zijn oude leven, de eerste van een nieuw leven zonder wapens en criminaliteit. Er stond veel op het spel, er zou veel veranderen, maar soms is verandering noodzakelijk om een dodelijk patroon te doorbreken. Hij had zich afgevraagd wat hem hier hield. Zijn leven? Familie? Vrienden? Zijn werk? Van dat alles was de ijzeren greep van het verleden nog het sterkst. Als vandaag alles goed ging dan zou hij voortaan van die greep verlost zijn. Hij had uren met Robert gepraat en ze waren tot de conclusie gekomen dat de tijd was gekomen om het laatste plan uit te voeren, de enige uitweg voor Jack en zijn familie. Even bleef hij op het bed zitten, starend naar het behang. Jack had vliegtickets naar Guadalajara, Mexico gekocht en betaald. Een hotel geboekt. Zijn spullen stonden in de gang, de belangrijkste spullen van Susan en de kinderen lagen achterin een oude pick-up truck die verderop in de straat geparkeerd stond. Het enige wat hij vandaag moest overleven was de opdracht. Hij zou rijden met de geldwagen, McCarthy en Benton deden de rest. Jack liep naar de kast en pakte er een doos vanaf. Hij scheurde hem open en haalde er een oude Browning BDA uit. Het was niet het wapen van zijn keuze geweest maar deze was helemaal schoon. Geen nummer, geen verleden. Normaal gesproken had hij geen wapen bij zich tijdens het werk, dat kon alleen maar leiden tot narigheid zoals acht jaar geleden. Nu was het pure noodzaak om een wapen bij zich te hebben als hij de dag wilde overleven. De zachte woorden van de Zakenman waren duidelijk geweest, zijn lot was bezegeld, zijn dagen in het team geteld. Hij was een onzekerheid geworden, een gevaar dat uitgeschakeld moest worden. In deze wereld was je voor of tegen, niemand stond langs de lijn. Tenminste, niet lang.
 
Jack stond op en stopte het wapen achter zijn riem. Het was tijd om te gaan. Susan had haar instructies en ook de kinderen waren op de hoogte van de onverwachte vakantie. Jack liep naar beneden en opende de deur van de trapkast. Hij trok een oude plank uit de vloer van de kast en haalde een kleine tas naar boven. Het was een lichtblauwe sporttas met een dubbele roze streep. Gehaast ritste hij hem open. Er zaten genoeg stapels met gebruikte bankbiljetten in om het voorlopig uit te kunnen zingen. Ook lagen er een paar pakjes in, verpakt in bruin papier. Op elk stond iets geschreven met zwarte stift. Paspoort, auto, grens. Hij pakte een klein stapeltje geld en stopte dat in zijn borstzak, de rest stopte hij terug in de tas. Op de aanrecht lag een pakket met wat brood en een thermosfles met koffie, ook dat nam hij mee. Even dacht hij na, niets vergeten? Als er één moment in zijn leven was geweest dat hij geen fouten mocht maken dan was het nu. Een rilling ging door zijn lijf, een periode was aan zijn einde gekomen. Een leven voorbij. Hij trok de voordeur achter zich dicht en gooide de tas en zijn lunch op de voorbank van de Pontiac. Even schrok hij van een stem die hem uit zijn overpeinzingen deed opschrikken.
‘Hoi Jack. Weer vroeg aan de slag?’
Het was buurvrouw Jo-Beth die naast hen was komen wonen toen ze er net een paar maanden ingetrokken waren. Susan had wel met haar op kunnen schieten omdat ze samen nieuw in de buurt waren. Ze hadden wat dingen samen gedaan en de straatbarbeque georganiseerd afgelopen zomer.
‘Hi Jo. Zoals het een goed man betaamd! We gaan er een paar dagen uit, zou jij ons huis een beetje in de gaten willen houden?’
Jo-Beth stak haar duim op.
‘Iets leuks met de kinderen?’
‘Mexico buuv, we gaan even weg uit dit druilerige weer en zoeken de zon eens op.’
De buurvrouw sloeg haar handen voor haar gezicht.
‘Ik ben jaloers, kan ik niet mee?’
Jack die inmiddels in de auto zat draaide zijn raam open en riep gekscherend: ‘Ik geloof niet dat Susan het erg leuk zou vinden als ik zo’n mooie meid mee zou nemen.’
Jo-Beth schaterde het uit en Jack stak zijn hand op. Langzaam liet hij de Pontiac achteruit de weg op zakken, daarna zette hij hem in z’n drive en gaf gas. De auto bokte even en sprong toen vooruit.
‘Kom op, rijden, vandaag laat je me niet in de steek.’
 
 
Niet veel later reed hij het parkeerterrein in het harbour district op waar hij pas geweest was. Het was nog vroeg maar hij zag de auto’s van de anderen al staan. Verbaasd keek hij op de klok op het dashboard van de Pontiac, die stond echter keurig op 7:30. Niets aan de hand dus. Hij zette de wagen naast een snelle Dodge en een zilvergrijze Mercedes die waarschijnlijk van de Zakenman was. Op het moment dat hij uitstapte ging de overheaddeur van de hal open. Hij zag McCarthy en Benton druk praten en achter hen stond de geldwagen al te glimmen. Je kon veel zeggen over die prutsers, de wagen zag eruit alsof hij nog dagelijks voor geldtransporten gebruikt werd. Als hij nu ook zo goed reed als dat hij er uit zag was alles in orde. Jack sloeg de deur van de Pontiac achter zich dicht en liep naar binnen waar McCarthy hem quasi hartelijk begroette.
‘Heee, Jacky. Mijn nummer één chauffeur. Je kleren liggen bij de koffiemachine, je kan je daar omkleden als je preuts bent. Hij lachte hardop en zelfs de stille Benton kon een glimlach niet onderdrukken.
‘Nog vijftien minuten, dan gaat het beginnen. Zodra de echte geldwagen bij Arlington Place stopt krijgen wij een seintje. Dan kunnen we hem voorblijven en hebben drie minuten om het af te ronden. Dan moeten we weg zijn voordat ze aan komen rijden.’
Jack knikte terwijl hij zijn uniform aantrok. Hij verborg zijn vuurwapen onopvallend onder zijn shirt en pakte verbaasd een enorme jaren zeventig zonnebril van de tafel.
‘Werkt net zo goed als een masker zolang je in de auto blijft,’ zei McCarthy. Jack keek hem even aan.
‘Ik wist niet dat je zoveel om mijn veiligheid gaf.’
Hij kreeg een venijnige blik toegeworpen.
‘Dat doe ik ook niet, ik wil alleen dat we dit goed afronden en niet weer zeven jaar met elkaar opgescheept zitten in Jennings. Maak je geen illusies, als ik denk dat je een probleem bent voor het slagen van deze missie dan zal ik geen moment twijfelen om een kogel in je hersens te jagen.’
Hij liep naar Jack toe en legde een arm op zijn schouder.
‘Maar nu sta je dichter bij me dan mijn eigen familie.’
Jack schudde McCarthy’s arm van zich af en trok zijn nieuwe shirt aan. Er zaten emblemen op de borstzakken en het logo van Lloyd Geldtransporten stond op zijn rug. Idioten, dacht Jack. Of je al niet genoeg aandacht trok in een geldwagen. Het moest ook nog op je rug en borst staan. Hij vroeg zich af hoeveel doden er onder geldtransporteurs vielen per jaar.
 
‘Lets go!’
Benton stond bij de overheaddeur met een telefoon in zijn handen. ‘We hebben nog zeven minuten om er te komen.’
Het drietal haastte zich in de truck en Jack draaide de sleutel om. Met een rauwe grom kwam de achtcilinder tot leven.
‘Jezus Benton, ben je de uitlaat vergeten te monteren?’ mompelde Jack.
De truck maakte inderdaad behoorlijk wat geluid en Jack drukte een paar keer het gaspedaal flink in. De benzinemeter gaf vol aan, daar hoefde hij zich geen zorgen om te maken. Hij zette hem in zijn één en liet de koppeling opkomen. De truck reed langzaam de grote hal uit en verdween van de parkeerplaats. Ze hadden niet veel tijd meer om op de locatie aan te komen maar het verkeer zat goed mee. Toen ze op Jackson avenue reden werden ze ingehaald door een politieauto met twee druk pratende agenten er in. Jack hield ze vanuit zijn ooghoeken goed in de gaten maar geen van de twee keek ook maar een moment op naar de truck.
‘Rustig doorrijden Jacky, we zijn er zo,’ klonk McCarthys stem.
Hij zat achterin met Benton en keek af en toe even over Jacks schouder op de weg. Ze pakten hun wapens en maskers en controleerden alles dubbel.
‘Alles in orde, we zijn er bijna,’ zei Benton.
MacCarthy keek nog een keer op de snelheidsmeter en legde zijn hand op Jacks schouder.
‘Rustig aan Jacky, we moeten niet aangehouden worden omdat we te hard rijden.’
Jack liet zijn voet even omhoogkomen. Daarna draaide hij Lemming Street in, wat de uiteindelijke bestemming was. Aan het einde van de straat was een grote oprit waar hij twee bewakers zag staan. Hij reed met de truck op hen af en stak zijn hand bij wijze van groet op.
Eén van de twee draaide zich om en liep naar het hekwerk. Het was een grote man met een enorme snor, die Jack aan een filmster deed denken. Hij had zijn telefoon tegen zijn oor en sprak even met iemand. Jack parkeerde rustig de truck ze dicht mogelijk tegen het hek. Op dat moment kwam de eerste bewaker, een magere man met een baseball pet op zijn hoofd, weer aanlopen en deed zijn duim omhoog. Zijn besnorde collega liep naar het hek en haalde zijn sleutels tevoorschijn. Terwijl hij naar de sleutels voor het hekwerk zocht was de andere bewaker al naar de truck gelopen en gebaarde iets naar Jack. Die deed alsof hij iets zocht in de cabine. De bewaker riep nogmaals en klopte toen op het raam. Jack zag dat snorremans nog steeds met het hek aan het knoeien was en besloot nog even tijd te rekken. Hij zwaaide nog even naar de bewaker die op het raam klopte en deed weer alsof hij met zijn handen in het dashboardkastje zat. De bewaker gaf nu een harde bonk op het glas waardoor het raam op één of andere manier losraakte en een stuk omlaag viel in de deur. Zijn gezicht kreeg een bijna grappige uitdrukking van verbazing, daarna realiseerde hij zich waarschijnlijk dat je echt kogelwerend glas niet zomaar kapotgeslagen krijgt.
‘Wat de fu….’ wilde hij zeggen maar op dat moment kreeg hij zo’n harde klap met een pistool in zijn nek dat hij gelijk als een lappenpop tegen de truck aanviel. De andere bewaker draaide zich om en wilde iets roepen toen hij recht in de loop van Bentons revolver keek.
‘Niet praten maar het hek opendoen.’
De man knikte en deed wat er van hem verlangd werd. Nadat hij het hek geopend had keek hij Benton zo angstig aan dat hij McCarthy niet aan zag komen. Een soortgelijke dreun als die van zijn collega viel hem ten deel en ook hij lag al snel op het beton. Benton sleepte de twee mannen snel uit het zicht terwijl McCarthy het geldwagentje uit de truck reed. Samen liepen ze door het inmiddels open hek naar binnen.
‘Drie minuten riep Jack hen na. Drie fucking minuten, dan ben ik weg.’
McCarthy stak zijn middelvinger op voordat hij met Benton en het karretje in het kantoor verdwenen was.

~